vrijdag 18 mei 2018

Asterix aan de Schelde




Sinds 1 januari 2013 zijn de 3,93 vierkante kilometer Borgerhout de enige in Antwerpen waar de N-VA van Bart De Wever niet aan de macht is. Dit boek vertelt het verhaal van die linkse enclave op rechteroever. Het is een reportage waarin nog twee andere politieke experimenten oplichten: de eerste coalitie ooit tussen sociaaldemocraten, groenen en marxisten en de bestuurlijke ontmaagding van de PVDA. Het is het relaas van Plein Patrons Amar en Mohamed die dwepen met ‘2140’, van Paul Schyvens die De Roma doet herrijzen, van Nordine van Al Ikram die 6.500 euro zoekt om een lijk uit de frigo te halen en van Zohra Othman en de andere nieuwlichters in het districtsbestuur die al eens zingen: ‘Voor geen chanterik peu!’ Maar deze kleine geschiedenis gaat ook over de wolfijzers en schietgeweren die al de dag na de gemeenteraadsverkiezingen klaarliggen om Borgerhout af te pakken wat het heeft binnengehaald. Ten slotte is dit ook een historie over verandering en verlies en hoe daar mee om te gaan en over de tijd die de dingen soms nodig hebben.

Meer info: https://www.epo.be/nl/sociaal-politiek/3454-asterix-aan-de-schelde-9789462671270.htm

maandag 2 mei 2016

Hier is hem terug



Inleiding uitgesproken op de boekvoorstelling van 'Wannes. Hier is hem terug', op 29 april 2016 in De Roma. 

Beste Wannes,

Ik schrijf u op de dag dat ge 79 zoudt zijn geworden, niet toevallig ook de dag dat we in aanwezigheid van veel van uw vrienden uw biografie voorstellen. Sommigen zullen hem een klinker noemen. Een klinker voor een leraar, filosoof, zanger en dichter. Daar valt iets voor te zeggen: het boek telt meer dan 500 pagina’s en weegt bijna evenzoveel kilo – goed, ik overdrijf, maar het is toch een uit de kluiten gewassen baksteen.

Er is niks tegen bakstenen, integendeel. Maar mij komt uw biografie eerder voor als een kathedraal. En de bouwheer laat zich aanspreken met Dree Peremans, uw goede oude vriend. De hoofdtitel is kort maar krachtig: Wannes. Omdat gij een van die zeldzame mensen zijt die alleen een voornaam behoeft, en daarmee smeer ik u geen stroop aan de baard, want – op het gevaar af u te schofferen – mijn marketingcollega’s van uitgeverij EPO hebben daar een bescheiden onderzoek naar gedaan. De ondertitel luidt: Hier is hem terug.

Hier is hem terug. Ergens achteraan het boek beschrijft Dree wat er gebeurde toen ge dat nummer voor het eerst op een podium bracht. Het was in de AB, tijdens het eerste concert na uw ziekte, we schrijven 2006. ‘Tranen rolden over vele wangen. Geliefden knepen in elkaars handen, zaten stokstijf en ademloos te luisteren. Het applaus liet enkele seconden op zich wachten, zolang duurde het voor een ontroerd publiek zijn zinnen weer op een rij had. Wat volgde was een minutenlange ovatie, uit eerbied en respect.’

Ge hoort me hier niet zeggen dat zich woensdag op onze uitgeverij dezelfde taferelen afspeelden toen uw biografie van de persen rolde. Maar héél veel heeft het nu ook niet gescheeld. De reden daarvoor vindt ge in het boek onmiddellijk na de passage die ik zonet citeerde. Want na die frase over de minutenlange ovatie merkt Dree, de bouwheer, op: ‘Daar stond een man die zo vaak had verwoord wat anderen dachten. Een man die voor meer dan één generatie een boegbeeld was geworden. Een voorbeeld van koppigheid en moedig verzet tegen de onzin die dag na dag wordt rondgestrooid.’

Het lijkt me een zware taak om een voorbeeld van koppigheid en moedig verzet te zijn. Maar het lijkt me ook een mooie taak. Zelf kan ik zonder blozen zeggen dat gij mijn en vele anderen hun wereldbeeld en politiek engagement mee vorm hebt gegeven. Mijn punkvrienden begrepen nooit dat ik én van The Clash hield én van u. Tot ze mee naar de 0110 concerten gingen, een week voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. En ge daar De flamingant ne me traîtez inzette. De flamingant ne me traîtez, je suis Flamand, fils d'ouvrier. Zieltjes heb ik in mijn leven nooit gewonnen. Maar wat was ik blij en fier dat ze na dat optreden ook de rest van uw oeuvre ontdekten.

Soms, beste Wannes, ben ik benieuwd naar uw gedacht over de gang van zaken vandaag. In uw stad Antwerpen, in Vlaanderen, België en de rest van de wereld. Veel van uw liedjes klinken alsof ge ze gisteren schreef. Of Von Braun nog steeds in de Larousse staat, dat heb ik niet gecontroleerd. Maar  Kerstmis is nog steeds dien dag dat ze niet schieten, Lange Wapper staat nog steeds niet in de gratie, ’t pensioen voor de werkman bestaat nog steeds uit wat centen, en d’omgekochte leiders helpen ons nog steeds in de nesten – al spreken zij geen Frans en zwijgen ze maar niet van de Vlaamse kwestie.

Ik zou zo nog een tijd kunnen doorgang. Maar ik wijk af. Want ik schrijf u over uw biografie, die eigenlijk een kathedraal is. Ik had zo graag geweten wat ge ervan vond. Ik dreig te denken dat ik er nogal gerust in ben. Want als ge erin leest, als ge de woorden naar binnengiet gelijk een goede wijn, dan hoort ge uw stem. Dan denkt ge: ja, hier is hem terug.

Beste Wannes,

Het wordt een grote avond. Met een lang programma waarin, ik schreef het al, veel van uw vrienden zullen figureren.

Een zanger is een groep, dat weet gij beter dan wie ook. Er hebben veel mensen deze biografie mogelijk gemaakt. Ik wil er namens de uitgeverij drie in het bijzonder bedanken. 

De eerste is vanzelfsprekend Dree Peremans. Op de voorstelling van zijn vorig boek noemde ik hem de Vlaamse Stachanov omdat hij op een jaar tijd twee boeken bij elkaar had getikt. Dat was om te lachen. Maar als ik uw biografie lees begin ik het nog zelf te geloven. Hij heeft er acht jaar aan gebouwd en verbouwd, en het resultaat is zowel vormelijk als inhoudelijk verbluffend. Het is helemaal zoals Peter Vantyghem vandaag in zijn viersterrenrecensie in De Standaard schreef: “Niemand is beter geschikt om het rijke leven van Wannes in woorden te vatten dan Dree.” Op onze uitgeverij noemen we Lucas Catherine, een generatiegenoot, graag historicus van Vergeten Zaken. Ik stel voor dat we Dree voortaan bestickeren als Archivaris van de Folk. Na dit boek, maar ook na Naar de bronnen van de Folk, de biografie over Dirk Van Esbroeck, en het Groot Liedboek lijkt me dat meer dan gepast. 

De tweede kent ge wellicht minder. Hij heet Jos Hennes. Jos was een half leven uitgever van EPO. Sinds zijn pensioen komt hij nog drie dagen per week als vrijwilliger en kreeg hij bij ons de titel senior publisher. Hij hoort dat niet graag maar we zeggen het toch. Als er iemand op de uitgeverij verdienste heeft aan dit boek, dan wel hij. Het aantal uren dat hij in het boek stak is niet te tellen.

Last but not least wil ik uiteraard Christa Van de Velde-Bernhardt bedanken. Ik heb nooit aardbeitaartjes met haar gegeten, laat staan thee of sherry gedronken. Maar die ene ontmoeting met haar op onze uitgeverij koester ik. Deze kathedraal is uiteraard ook voor haar. Het is me dan ook een eer en een genoegen dat we het eerste exemplaar van de biografie nu officieel aan haar en haar zoon Christian mogen overhandigen.

Vriendelijke groet,
Thomas



zaterdag 15 augustus 2015

Een tedere schrijver op de pechstrook van het leven


‘En als we dood zijn / groeit er gras op onzen buik / gras op onzen buik.’ Hij droeg een hoed maar schreef over kleine mensen en over de dingen die voorbijgaan. Met Eriek Verpale stierf maandag een tedere en lieve man, maar ook een auteur die totaal ten onrechte in de vergetelheid sukkelde.

Op de boekvoorstelling van Ik was nog nooit in Zelzate geweest
Onze eerste ontmoeting dateert van 2008. Ik zwoegde aan mijn labyrintisch relaas van socialistische burgemeesters, bezettingen en fabrieksstakingen, gipsbergen en slibstorten, mémékes die weigeren gemeentetaks te betalen en de opkomst van de nieuwlichters van de PVDA, bref aan wat Ik was nog nooit in Zelzate geweest zou worden, en wilde hem daar dolgraag een rol in geven. Tenslotte ging het boek over zijn geboortedorp.

We hadden afgesproken in café Napoleon, op wandelafstand van de Zelzaatse Grote Markt, die eigenlijk een Lange Markt is. Het was een februariwoensdagochtend, het miezerde, mijn bus had door een accident in Wachtebeke een uur vertraging, en ik moest dringend naar de WC. Maar bovenal was ik onmiskenbaar nerveus: ik hou niet zo van ontmoetingen met schrijvers die ik graag lees. Op papier zijn ze doorgaans beter.

Eriek Verpale, in Zelzate gewoon Eric met korte i en c, was anders. We rookten een sigaret en hij vertelde over de liefjes die hij in de loop van de jaren had ontvangen op zijn appartementje naast de dokters van Geneeskunde voor het Volk, waar mijn boek deels over ging: de altijd blootsvoets lopende Boes, de broodmagere Kookske, de ‘pijnlijk mooie’ Lotte en Anniekske Boetiekske. ‘Anniekske Boetiekske’, grijnsde hij, ‘was het mooiste meisje van Zelzate.’

Toen ik hem twee interviews later vertelde over mijn initiële nervositeit keek hij nauwelijks verrast: hij was evenmin een sociaal beest. Dat ik er in één adem aan toevoegde dat mijn ongemak vergroot werd omdat ik me op ‘zijn terrein’ begaf, deed hem dan weer lachen. Alsof hij ervan droomde de geschiedenis in te gaan als de chroniqueur van Zelzate! Eriek Verpale speelde in een andere competitie dan veel van zijn collega-literatoren: het circus van ego’s en agenda’s was hem vreemd.

Nette armoede

De auteur met de hoed werd in 1952 uit een werkmansbroek geschud. Vader  was vrachtwagenchauffeur bij een bierbrouwerij – vandaar de vele ‘werkbezoeken’ aan staminees, ook na zijn uren. Moeder moest zich als kuisvrouw ‘het vel van de knieën dweilen’ op het kasteel van de rijke familie Swann. ‘Nette armoede’ voor de enen, protserige rijkdom voor de anderen: al op jonge leeftijd wist hij hoe de samenleving in elkaar zat.

Dat maakte hem geen schrijver die de mensen een geweten schopte, daarvoor was hij te veel scribent van zijn ziel, te veel verslaggever van zijn queeste naar het Ultieme Meisje. Maar het was duidelijk voor wie zijn hart klopte. De jonge Arnon Grunberg, die hem in 1993 voor de Nederlandse krant NRC kwam interviewen, vertrouwde  hij toe papieren monumenten te willen oprichten voor ‘de mislukkelingen, de losers, de gekwetsten en de verminkten’.

En hij koos niet alleen kant in zijn boeken. Toen de Orde van Geneesheren in 1998 ‘zijn’ PVDA-dokters wilde schorsen trok hij mee naar de rechtbank. ‘Profiteer maar van de zieken, vul uw zakken maar via de farma-industrie’, blafte hij tijdens een indrukwekkende rede die veel van een J’accuse had. ‘Maar zolang ik leef zal ik in woord en geschrift uw houding aanklagen en zal ik blijven ijveren voor het principe van gratis geneeskunde voor het volk.’

Moeder Zulma, wijk De Katte en de usine de merde

Eriek Verpale had naar eigen zeggen geen fantasie. En dus schreef hij verhalen neer waar hij niet lang naar moest zoeken, histories die gewoon voor het oprapen liggen, zoals een verloren want op straat. Over zijn tragische liefdes, uiteraard. Maar ook over het café van Moeder Zulma, over wijk De Katte, zijn werk bij de usine de merde aka het Teerkot. Of over de Jiddische literatuur die hij als zijn broekzak kende, want hij groeide op bij zijn Joodse grootmoeder.

Met Alles in het klein, Olivetti 82, en Katse nachten raakte hij in de jaren negentig bekend bij een breed publiek. Kenmerkend was zijn volkse stijl, vaak vol schuine grappen die de grootste tristesse opvrolijkten. ‘Mijn lief die is van Ronse / en ik, die ben van Gent / Ik pak heur bij heur sponse / en zij pakt mijnen end’, noteert hij ergens in Olivetti 82. Of in Grasland: ‘En mijn lief, dat is geen sluure / want ze heeft hem liever in heur gat / dan in heur uure.’

Na de eeuwwisseling werd het erg stil rond Eriek Verpale. Er verschenen geen boeken meer van zijn hand, al deerde hem dat niet. Nog voor zijn eerste successen liet hij optekenen géén ‘literator’ te zijn en van publiceren en uitgeven zijn bekomst te hebben. ‘Ik wil gewoon schrijven, en laat het dan desnoods brieven zijn die alleen door jullie worden gelezen’, staat al in Alles in het klein

‘Godverdoemme! Godmiljaar!’

Een paar jaar geleden zag ik hem voor het laatst. Het Klara-programma Babel had ons gevraagd voor een reportage in Zelzate, naar aanleiding van een theaterstuk van het KIP. Verpale maakt een verwarde indruk. In een café legde hij een pistool op tafel, ‘want ge weet nooit tegenwoordig in Klein Rusland’. Hij kloeg over de toegenomen onveiligheid. ‘Klein-Rusland en de Katte, die twee samen, dat noem ik Klein-Sicilië. Dat komt door de clangeest. Er heerst hier een sterke clangeest. Ik zeg niet: maffia. Maar clangeest.’

Toen we tweeënhalf uur later terug aan zijn auto kwamen vond hij z'n sleutels niet meer. Tien minuten alle zakken aftasten. ‘Godverdoemme! Godmiljaar!’ Hij was ervan overtuigd dat de schoffies van de wijk hem een loer hadden gedraaid. Met z'n drieën kamden we alle bosjes van de buurt uit. Maar zijn sleutels zaten uiteindelijk waar ze al die tijd gezeten hadden: op z'n deur. Hij vond het zelf niet erg.

Zo was Erik Verpale. We zullen hem missen.

Dit stuk verscheen in Recto:Verso.

vrijdag 6 december 2013

‘Klassenoorlog bestaat, en de rijke elite is aan het winnen’

Beweren dat er geen sociale klassen meer bestaan, vindt hij even absurd als zeggen dat de aarde plat is. En snijden in openbare diensten bestempelt hij als een vorm van oorlog tegen de werkende bevolking. Met het boek Chavs deelt Owen Jones een stevige uppercut uit. Naar boven.


Owen wié? Veel kans dat u Owen Jones niet kent, maar evenzoveel kans dat dat nog komt. Zijn vlijmscherpe opiniestukken en zijn bestseller Chavs maakten hem een ster aan het Britse firmament. Op kousenvoeten verovert hij nu ook het continent.

Chavs verwijst naar de modeterm waarmee de Britse elite de arbeiders aanduidt. De arbeidersklasse, ooit het zout der aarde, is nu het schuim der natie. Over Het Kanaal word je liever niet meer uit een werkmansbroek geschud.

‘Ik ben aan dit boek begonnen uit frustratie’, vertelt Owen Jones. ‘Terwijl de gemiddelde Brit moet krabben om rond te komen, beleeft een kleine elite gouden tijden: in 2011 verdienden de directieleden van de top 100 van Britse bedrijven 49 procent meer dan in 2010. En dat jaar wás hun loon al met 55 procent gestegen. Toch durfde de Britse minister verantwoordelijk voor bezuinigingen zeggen dat alle Britten in hetzelfde schuitje zitten. Ik wilde het woord klasse terug in het debat brengen. Beweren dat klassen niet meer bestaan, is even absurd als verkondigen dat de aarde plat is.’

U spreekt zelfs van ‘klassenoorlog’. Is dat niet overdreven?
‘Helemaal niet. In Groot-Brittannië is Thatcher ermee begonnen. Maar ook in de rest van Europa zie je hoe er ingebeukt wordt op moeizaam afgedwongen sociale rechten. Regeringen snijden in openbare diensten en vertellen werkende mensen dat de economie van hun land competitiever moet worden en zij goedkoper en flexibeler. Miljardair Warren Buffet zei ooit: Klassenoorlog bestáát. En hij voegde daar aan toe: Maar mijn klasse, de rijke elite, voert de oorlog en is aan het winnen.’

De demonisering van de Britse arbeidersklasse, die je in je boek beschrijft, zie je als een van de gevolgen. Wat schuilt er achter?
‘Demoniseren is proberen recht praten wat krom is. Door te demoniseren hoef je niet meer over sociale en economische achterstelling en groeiende ongelijkheid te discussiëren. Geloven dat werklozen lui zijn, maakt het makkelijker te zeggen: eigen schuld, dikke bult. Het bestaat overal waar ongelijkheid bestaat en vaak wordt het gekruid met een snuifje racisme.’

In het voorwoord noemt komiek Nigel Williams Chavs in één adem met de roman Brave New World. Kun je die vergelijking volgen?
Brave New World gaat over een samenleving waarin je niet wil terechtkomen. Ook Chavs gaat daarover. Maar Brave New World is fictie, de Britse maatschappij die ik in mijn boek schilder bestáát. En de blauwdruk ervan spruit niet voort uit het brein van een schrijver met veel inspiratie, maar uit een ideologisch project.’

De demonisering van de arbeidersklasse lijkt hand in hand te gaan met de demonisering van de vakbonden. In België hoor je soms dat ze ‘conservatief’ en ‘niet meer van deze tijd’ zijn. Je bent zelf syndicalist. Voel je je aangesproken?
‘Neen hoor. Het is een slimme techniek van het neoliberalisme: de retoriek van de moderniteit aannemen terwijl net zij de klok willen terugdraaien. Vakbonden blijven de grootste democratische organisaties: ze verenigen miljoenen mensen en zijn hét instrument om ervoor te zorgen dat wie de rijkdom produceert er ook de vruchten van plukt. Weet je dat er in Groot-Brittannië meer dan 1 miljoen werknemers een nulurencontract hebben? Ze hebben een job waarvan het aantal uren niet op voorhand bepaald is. Dát is het gevolg van zwakke syndicaten. Zeg dat maar tegen de tegenstanders van vakbonden in België.’

Thomas Blommaert

Chavs, Owen Jones, uitgeverij EPO, 336 p.

Interview verschenen in Visie, 6/12/2013

vrijdag 12 april 2013

Mannen van de vuilkar dwingen referendum af

Een volksraadpleging om de privatisering van de stedelijke reinigingsdienst tegen te houden: het stadspersoneel van Sint-Niklaas en hun vakbonden schrijven syndicale geschiedenis. Bericht uit het Waasland.


“Dag meneer, woont u in Sint-Niklaas? Ja? Heeft u onze petitie al getekend?” Het is donderdagnamiddag en terwijl de terreinwagens van de laatste marktkramers in een trage, schokkende polonaise de Grote Markt verlaten staan aan de bibliotheek, een paar honderd meter verder op het Heymanplein, vakbonders handtekeningen in te zamelen. “Voor de tweede dag op rij”, zegt Maarten Bieseman van ACOD. “Gisteren zijn we van deur tot deur geweest, nu concentreren we ons op openbare gebouwen en cafés.”

Een oude man met een grote grijze klak en een bruine wandelstok die voor zijn wekelijks jeneverke naar café ‘t Gildenhuis schuifelt, meldt dat hij al getekend heeft. Maar hij informeert toch geïnteresseerd naar de tussenstand. “Al 7.200 handtekeningen? Dan hebben ze het aan hun kloten”, grijnst hij tevreden. ‘Ze’, dat zijn de dames en heren van het schepencollege van Sint-Niklaas dat bestaat uit N-VA, sp.a en Groen. En ‘het’, dat is het referendum over de privatisering van de reinigingsdienst, de inzet van de petitie.

Een volksraadpleging tegen privatisering? Het is een unicum in de syndicale geschiedenis. Maar in het Waasland wel een met perspectief. Bij 7.400 handtekeningen is het Sint-Niklase stadsbestuur verplicht een referendum te organiseren. Aan de bibliotheek weten ze: nog even en die kaap is gerond. Dan mag de champagne ontkurkt en wordt er gezongen. “De sympathie van de bevolking is enorm”, zegt Stefaan Vertenten. “Toen we vanochtend in groep naar de Markt reden stond er op de Parklaan een vrouw de ramen van een interimbureau te kuisen. Ze zag ons en begon met haar zemelap te zwieren. Precies Les lacs du Connemara maar dan om te zeggen: ik steun jullie.”

“Ik wist niet dat de mannen van ’t stad zo graag gezien waren”, fluistert hij. “Ik denk dat veel Sint-Niklazenaren goed beseffen waar het om draait. Politici spreken altijd over een kerntakendebat. Wel dan. Gaan we zwemmen in het Stedelijk Zwembad? Gaan we aan een betaalbaar tarief naar de bib? Zit oma of opa in het OCMW-rusthuis? Bezoek je de schouwburg? Gaan je kinderen naar het stedelijk basisonderwijs? De overheid levert een dienst aan de bevolking aan een eerlijk sociaal te rechtvaardigen kostprijs of een sociaal herverdeelde kostprijs. De privé dient om winst te maken en dat heeft z’n gevolgen voor service en prijs. De mensen weten dat.”

Niet zoals bij de waterdienst


Een paar jaar geleden verpatste het stadsbestuur al de stedelijke waterdienst. Dat gebeurde zonder slag of stoot. Dat het met de reinigingsdienst anders zou gaan stond in de sterren geschreven. Het personeel voert al actie sinds de plannen om de dienst te privatiseren bekend raakten. Toen het dinsdagochtend hoorde dat het stadsbestuur “geen onderhandelingsmarge” meer zag legde het het werk neer. Een paar uur later stroomde de centrale hall in de stadswerkplaatsen vol: die van de groendienst, openbare werken, de ateliers, signalisatie, enzovoort. En de mannen van de vuilkar vertelden hun collega’s over het referendum waarmee ze in hun hoofd liepen, en uit de zaal klonk: ‘wij doen mee, want straks zijn wij aan de beurt.’

“Woensdag zijn in plaats van de veertig werknemers van de reinigingsdienst meer dan honderdvijftig man van alle stadsdiensten met onze petitie van deur tot deur gegaan”, vertelt ACOD-délégué Patrick De Rudder. “Dat blijven we ook de volgende dagen nog doen. Tegen zaterdag hebben we aan negentig procent van de huizen in de stad aangebeld. We zullen veel meer dan de nodige 7.400 handtekeningen ophalen.” Hij weet niet waar hij het meest content om moet zijn: om de hartverwarmende reacties van de bevolking of om de solidariteit bij de rest van het personeel. “De bibliotheek bleef zelfs gesloten. De mensen van de schouwburg konden dan weer moeilijk weg wegens dansvoorstellingen van Clapaja: ze beslisten dan maar voor en na de show met de petitie rond te gaan.”

De Rudder, die volgend jaar met pensioen gaat maar dat rustig uitboljaar al uit zijn gedachten heeft gezet, zegt dat hij de voorbije dagen collega’s politiek hoogstaande interviews aan de regionale pers heeft zien weggeven alsof ze nooit anders gedaan hebben. “Er zijn veel discussies. Hoe komt het dat er zes miljoen per jaar moet bespaard worden? Waar is dat geld naar toe? Hoe zit het met Dexia? En we zijn ook bezig met vragen als: hoe brengen we onze boodschap het best over aan de burger? Wat marcheert wel, wat niet? En met het referendum is er ook het gevoel: we hebben iets in handen waarmee we het stadsbestuur van gedacht kunnen doen veranderen.”

Verbijsterd

N-VA-burgemeester Dehandschutter zei in een radio-interview “verbijsterd” te zijn: waarom staken als er geen naakte ontslagen komen? Want de werknemers van de reinigingsdienst krijgen straks elders onderdak.

Sp.a en Groen stuurden vorige week zelfs een persbericht rond. Daarin lees je onder andere dat het kartel streng zal toezien via hun vertegenwoordiging in de MIWA (de vereniging voor huisvuilverwerking van het Midden-Waasland, tb) op de loon- en arbeidsvoorwaarden van dienstverleners die intekenen op het contract voor de afvalophaling. “Kent het kartel soms een firma voor afvalophaling met goede arbeidsvoorwaarden?”, vraagt PVDA+verantwoordelijke Jan Vandeputte. “Wij niet. Veel werknemers in die sector krijgen enkel dagcontracten via interimwerk, om nog maar te zwijgen over de veiligheid bij die firma’s. Wat het progressief kartel hier beweert, is ronduit beschamend. Hun vertegenwoordiging in de MIWA gaat het verschil helemaal niet maken.” Hij merkt op dat het hem doet denken aan de sociaal-democratische sirenegezangen die die de privatisering van de ASLK en de liberalisering van de energie begeleidden.

Wordt vervolgd

Donderdagavond krijgen we in ’t Gildenhuis, het bastion van het ACW, het bericht dat de 7.400 signaturen al ruim overschreden zijn. Een biljarter zegt met een spijtig gezicht tegen Maarten Bieseman dat hij niet kan tekenen: hij woont in Beveren. Maarten riposteert dat het niet geeft. Als ik in ‘t laat naar huis wandel, denk ik aan Saramago, de oude schrijver. Hij wist al: ‘Men privatiseert de zee en de hemel, men privatiseert het water en de lucht.’ Maar de privatisering van de Sint-Niklase reinigingsdienst heeft het stadsbestuur nog niet voor elkaar. Nog lang niet.

donderdag 16 februari 2012

In NRC verscheen een stuk van Thomas Blondeau over de bloemlezing 20 onder 35 waar ook uw dienaar een bijdrage voor schreef in het bijzonder en over jonge schrijvers in het algemeen. Daarin lees je:
Als je ervan uitgaat dat ieder verslag is gekleurd door de waarnemer, is het aan de schrijver om dat mechanisme bloot te leggen. Dat kan op een radicale manier, zoals bij Dautzenberg, of op de new journalism 2.0-aanpak van Thomas Blommaert of Stijn Tormans.

donderdag 6 oktober 2011

"Een bloemlezing van twintig mensen die het bestaansrecht van de literatuur verjongen"

Donderdag werd bij uitgeverij Prometheus in Amsterdam Agents-provocateurs: 20 onder 35 voorgesteld. Voor die bloemlezing schreef uw dienaar het kortverhaal Zoekt gij Boel?. Als dat geen aanleiding voor mijn eerste bericht in een jaar is! Hieronder de flaptekst van de bundel:
Elke periode in de geschiedenis krijgt de literatuur die ze verdient. Dat betekent in deze tijd een oververtegenwoordiging van proza dat appelleert aan een vergrijzende bevolking. Er is een stroom aan verstilde boeken die op een uitgekauwde manier platgetreden thema’s behandelen behaagzuchtige romans die inderdaad de dood van het genre lijken in te luiden. Maar het kan ook anders. Literatuur kan met zichzelf in dialoog treden en de tijd waaruit zij voortkomt beïnvloeden. Voor Agents-provocateurs: 20 onder 35 gingen samenstellers Hassan Bahara en Thomas Blondeau op zoek naar Nederlandse en Vlaamse schrijvers onder de 35 jaar in wier werk deze ambities zijn terug te vinden. Ze zochten schrijvers die authenticiteit met vernieuwing vermengen, die romans of essaybundels schrijven waarin geen knieval wordt gedaan, maar die zich ook niet afwenden van het publiek: agents-provocateurs in dienst van de literatuur. In deze bundel zijn de schrijvers te vinden door wie de literatuur de eenentwintigste eeuw zeker zal overleven.

donderdag 24 juni 2010

De Ho van Herentals


35 jaar bevrijding Saigon :: Het bewogen leven van Frans De Boel alias Phang Lang

Op 30 april is het precies 35 jaar geleden dat de Amerikanen hun biezen pakten in Vietnam. Ons televisienieuws zal beelden tonen van een napalm hoestend en spuwend land en van in zee vallende helikopters. Maar in Berchem zal er iemand zijn eigen film afspelen. In het bewogen leven van de 86-jarige Frans De Boel nemen zijn vier jaar bij de Vietminh, het gewapende verzet tegen de voorgangers van de Amerikanen, de mooiste plaats in. Het onwaarschijnlijke relaas van een Kempenzoon die na veel vijven en nog meer zessen transformeerde in een Vietnamese communist.


Een oude man met wit haar en wankele pas giet u Laotiaanse thee in en biedt u in één adem een portie vissenkoppen aan. “Gezond en goedkoop”, knipoogt hij. “Ze komen van de markt.” Ge bedankt beleefd en kijkt naar de Vietnamese vlagjes aan de muur en de stapel lectuur op de tafel in de living. Twee boeken liggen open: Délégitimer le capitalisme van François Houtart – met als opdracht “à mon copain Frans” – en een woordenboek Frans-Nederlands. Het sociaal appartement van Frans De Boel is sober ingericht, maar er liggen precies lijnen naar heel de wereld.

Het was september vorig jaar dat ge hem voor het eerst ontmoette. De nieuwe groepspraktijk van Geneeskunde voor het Volk in Hoboken had net z’n deuren geopend. De vogels floten alsof het juni was, ge stond met een Vietnamese kameraad de buitengevel van het nog naar nieuw ruikend gebouw te monsteren en plots dook hij op voor uw neus, Frans De Boel. Begon in vloeiend Vietnamees een gesprek met uw maat. Vaneigenst dat ge verbijsterd waart. Alsof uw bompa u plots in het Berbers zou aanspreken.

Hoe, wat, wie, waarom en wanneer? Ge wist niet wat eerst vragen. Maar in welke volgorde ook, sommige verhalen dienen opgeschreven en bewaard te worden. Zo ook die van Frans en zijn kleine en grote oorlogen in Herentals, Hannover, aan het Oostfront, in Vietnam en Laos en later terug thuis.


Voorspel: van het Oostfront naar Vietnam

Frans De Boel heeft heel de wereld gezien maar blijft ene van Herentals, de gemeente van wielerlegende Rik Van Looy. En in de jaren twintig en dertig ook van pa Jan De Boel, die op zijn elfde stopte met school maar wel de Theofiel Boemerang van de Kempen werd. “Jan De Boel mag stront slijten, de mensen kopen het nog”, grinnikten cafévrienden geregeld en meestal was dat met meer bewondering dan afkeuring. “Hij was een socialist, een enfant terrible en een vrouwenloper”, schetst Frans zijn verwekker. “En hij dronk niet, hij zoop.” Dat pa De Boel meer commerçant dan pedagoog is, blijkt ook als ma De Boel sterft. Ze is amper 31 en de dan elfjarige Frans en zijn vier jongere zussen starten een lange Ronde van de Kempen langs weeshuizen, internaten en tantes.
Vijf jaar later staat de Tweede Wereldoorlog voor de deur. Frans, die als leerjongen bij een bakker werkt, weet alles van gist en bloem maar vraag hem niet wie Hitler is. Toch fietst hij op een blauwe maandag naar de gendarmerie van Mechelen om zich op te geven: hij wil tegen de Duitsers vechten. “Bij ons in Herentals was iedereen tegen den Duits”, bromt hij, alsof hij u een verklaring wil geven. De gendarmen lachen eens hartelijk en sturen hem weg. Hij is juist zestien, op die leeftijd moet ge achter de meiskes lopen.
Helaas. Frans heeft andere muizenissen: hij heeft honger en zoekt werk. ‘Erst das Fressen, dann die Moral’, de bekende uitspraak van Brecht, blijkt ook in Herentals te gelden. Op aanraden van een nonkel gaat de jongen die eerst tegen de Duitsers wilde vechten werken in Duitsland. Ge schrijft 1940 en 1941. “In de buurt van Bremen legde ik met Vlamingen en Tsjechen Duitse wegen aan”, legt hij uit. “En later hielp ik in Hannover een boer zijn oogst binnenhalen.” Hij komt er zowaar in een warm nest terecht en dat doet iets met een mens die al jaren geen thuis meer heeft. Klein detail: de aimabele boer is ook lid van de Duitse NSDAP.
In zijn jeugd hadden de zwartrokken van Herentals al flink hun best gedaan om Frans te waarschuwen tegen de Russen. “Als wij op een stront trapten, zei de leraar: ‘er hangt een communist aan uw schoen’.” De Hannoverse boer doet daar nog een schepje bovenop. Leert hem zijn rechterarm strekken en zet hem een paar maanden later zingend op een trein naar het Oostfront. Frans is achttien en nog altijd meer kind dan man. “Wat wist ik van nazisme en communisme? Mijn kop was zot gemaakt.” Met de omsingeling van Stalingrad beleeft de Kempenzoon nog net het keerpunt van de Tweede Oorlog. Hij is er vet mee. Sneeuw, slijk, barre kou en stapels lijken aan beide kanten: het Oostfront is één grote nachtmerrie, zelfs als ge in een Vlaams Legioen zijt ingedeeld. De tyfus velt hem maar redt misschien ook zijn leven: het is een ticketje weg van het front.
Terug in België gaat het allemaal weeral rap. Frans wordt eerst veroordeeld tot zeven jaar dwangarbeid wegens collaboratie, komt in de mijn van Beringen terecht maar gaat daar na een jaar lopen. Zonder geld of papieren sukkelt hij tot in Parijs, waar hij zich uit pure armoei bij het Vreemdelingenlegioen aansluit. Een twaalf maanden lange opleiding onder de Afrikaanse zon later zit hij op een boot naar Vietnam. “Dat altijd van alles willen zien en doen, zat er van jongsaf in bij mij”, zal hij op het einde van uw gesprek mompelen.


Eerste bedrijf: met het Vreemdelingenlegioen in Vietnam

Frankrijk zet zijn Vreemdelingenlegioen in Vietnam in om korte metten te maken met de Vietminh, het volksverzet dat onder leiding van Ho Chi Minh een guerrillaoorlog voor onafhankelijkheid uitvecht. En het is dan wel onder een andere vlag maar opnieuw mag onze vriend uit Herentals belangen verdedigen die de zijne niet zijn. Toch is de Frans De Boel van 1942 niet de Frans De Boel van 1948. Hij is niet alleen sadder maar ook wiser teruggekomen van het Oostfront. Bij de eerste militaire operatie is zijn geweer ‘toevallig’ geblokkeerd. “Ik heb nooit een kogel geschoten naar een Vietnamees, ik kon dat niet”, zegt hij alsof hij u duidelijk wil maken dat hij niet zomaar een huurling is.
Hij vertelt u over zijn intrede in Vietnam, aan boord van het schip van het Vreemdelingenlegioen dat de haven van Da Nang binnenvoer. Een van de legionairs pakte een conservenblik van op het dek en smeet het met volle kracht naar een Vietnameeske dat met zijn grootvader in een sloepje zat. “Die kleine kreeg het recht in zijn gezicht en begon te bleiten. Godverdoeme, ik was daar slecht van. Ik haatte het Legioen vanaf dag één.”
Hoe langer de Kempenaar in Vietnam vertoeft, hoe meer hij zich afvraagt wat de Fransen daar zitten te doen. Zijn eerste poging om de benen te nemen, komt er na nog geen twee maanden. Maar tussen willen en kunnen vluchten is er een groot verschil. “Ik dacht eerst nog: ik zal wel iemand tegenkomen die me wil helpen. Maar de Vietnamezen hadden schrik van mij! Ik ben dan maar altijd rechtdoor blijven lopen. Na een tijdje zat ik verdomme in de bossen en voor ik het wist viel de duisternis.” Frans De Boel slaapt in een gat in de grond, bedekt zich met blaren en kan nog navertellen dat een tijger hem besnuffelde. Maar misschien moet ge hem zelf maar eens vragen naar van die verhalen waar ge u aan kunt opwarmen. Feit is dat hij geluk heeft dat zijn engelbewaarder hem terug tot op het kwartier van het Legioen begeleidt. Hij rilt als een riet en is zo ziek als een hond. Een vorm van malaria, zo blijkt later.
Een Brusselse sergeant houdt hem uit het cachot maar zijn carrière op het slagveld is voorbij nog voor ze begonnen is. “Ik kreeg een spoedcursus morse en belandde op de administratie”, herinnert hij zich. “Dat klinkt bijna even saai als het was. Ik was geen bureauman en verveelde mij dood.” Al een geluk dat hij in contact komt met Vietnamezen en min of meer bevriend raakt met een schoenpoetser en een straatverkoper. “In ’t weekend ging ik daar dan al eens op bezoek en at ik soep met zwarte bonen. Zij vonden dat geel goe. Ik moest daar niet veel van hemme.” (snel) “Maar iedereen zijn goesting, hé.”
De verschillende culinaire smaak ten spijt groeit de sympathie langs beide kanten. Bovendien raakt de Belg er steeds meer van overtuigd dat de Vietnamezen een gerechtvaardigde strijd voeren. Aan vrienden die – o ironie – rechtover de post van het Vreemdelingenlegioen wonen, stelt hij op een dag de vraag die al maanden op zijn lippen ligt: kunt gij mij in contact brengen met de Vietminh? “Ze deden het bekanst in hun broek”, grinnikt hij alsof hij hun gezichten nog kan zien. “Maar ze hebben me na een tijdje toch geholpen. Op een zondag zijn ze me in het grootste geheim komen ophalen.” Frans is op dat moment net geen jaar in Vietnam.


Tweede bedrijf: de Herentalse afdeling van de Vietminh

Een paar jaar daarvoor marcheerde onze vriend uit Herrentals nog onder SS-vlag naar het Oostfront. Maar na twaalf maanden Vietnam bekeert hij zich dus tot Marx en Lenin. Hij begrijpt uw verbazing en begint een monoloog. Dat hij in zijn jong leven al dikwijls over solidariteit en broederschap en wat al meer had horen spreken, maar al even dikwijls bedrogen uit was gekomen. Dat hij in Vietnam was beginnen nadenken over de kant die hij had gekozen. En dat hij een schok kreeg toen hij de Vietminh bezig zag: alsof hij plots besefte dat een soldaat méér kan zijn een vechtjas. “In de Vietminh zaten geen haatdragende mensen. Ze wilden de bezetters buiten, maar niet per se dood. Ik heb dikwijls gezien hoe ze Fransen wegjoegen in plaats van hen om te brengen. En het verzet toonde enorm veel respect voor de bevolking”, vertelt hij zoals een trotse vader over zijn zoon. “We hadden enorm veel contact met de gewone Vietnamezen, we steunden en hielpen hen langs alle kanten. Maar we kregen ook veel terug. Ik dacht: als dat communisme is, dan wil ik ook communist worden.”
Drie jaar lang, van 1948 tot 1951, doet Frans De Boel dag en nacht verkenningen. Hij vertelt het alsof hij over een jongensdroom praat, al kunt ge u niet voorstellen dat er in zijn generatie droomden van een leven in de jungle. En denken dat die Vietnamezen hem die eerste maanden in de administratie staken! Hij lost dat op door non-stop iedereen de oren van zijn kop te zagen: “IK WIL VECHTEN”. En ge merkt op dat hij in blokletters spreekt. Maar zijn leven valt in zijn plooi, daar in Vietnam. Alleen het eten zorgt in het begin wat voor ambetantigheid. “De Vietnamezen kwamen toe met één kip voor 35 man. Maar ik frette op mijn eentje een kip op!” Hij lacht luid en vervolgt dat zijn maag al bij al rap aangepast was.
Niet alleen zijn maag. Trek een andere Vlaming weg uit zijn vertrouwde klei en hij wordt zot. Frans De Boel spreekt na een jaar Vietnamees en heeft vriendschap met half Da Nang, de streek waar hij langst rondliep. “Ik zag de Vietnamezen graag en zij zagen mij graag.” En mochten er in die tijd wat meer camera’s geweest zijn, iedere boer had met de blanke officier op de foto gewild. In die drie jaar vervelt hij tot Phang Lang, zijn Vietnamese naam die ‘victory’ betekent. Onze vriend wil van ze leven niet meer weg uit Vietnam.


Derde bedrijf: drama in Laos, bak in Frankrijk

In de drie jaar dat de Kempenaar voor de Vietminh vecht, raakt hij zwaar gewond. Eerst bij een Hollywoodiaanse actiescène waarbij de Vietminh een post van het Franse leger binnenvalt, Frans een sabel in een legionairenhals ploft, maar zelf in de borst wordt geschoten. Zijn kameraden hebben hem al half opgegeven, maar hij ontsnapt door zich in een ravijn te storten. De kogel is afgeschampt op zijn rib. Meer dan zestig jaar later vloekt hij nog. Niet om zoveel boerengeluk, wel om de post die toen in Vietnamese handen had moeten vallen.
Maar ge zit op een dwaalspoor, want ge moet eigenlijk naar de triestigste dag uit zijn leven. In maart 1952 trekt Frans De Boel met een Vietminhcompagnie naar Laos, waar de strijd tegen de Franse bezetters ook woedt. Hij heeft er zowaar nog meer contact met de bevolking dan in Vietnam en krijgt er de bijnaam Hoemi toebedeeld: hij die geluk brengt. “Maar veel geluk heb ik daar verdomme niet gehad”, zucht hij. De Fransen schieten hem in been en voet. “Ik stak mijn handen omhoog en dan schoot die rotzak nog in mijn elleboog”, gromt hij.
Het is gedaan met zijn Vietnamees avontuur en hij weet het. De tranen vloeien minder door de schotwonden dan door de emoties. Hij wordt nog in Saigon, het huidige Ho Chi Minhstad, geopereerd en in de cel gezet. Maar een paar maanden later vliegt hij onherroepelijk terug naar Frankrijk. De kleine Frans De Boel uit Herentals wordt veroordeeld tot de doodstraf, later omgezet in tien jaar. Van een communistische gevangenisdirecteur (!) in Marseille krijgt hij nog een orthopedische schoen voor zijn aan flarden geschoten voet, op meer moet hij niet rekenen. Met rode deserteurs wordt niet gelachen, noch in ’t Vreemdelingenlegioen noch in Parijs.


Epiloog: terug naar Vietnam

Tegen dat Frans vrijkomt, is de wereld veranderd. Hij is 42, haalt via avondschool nog een diploma boekhouden en wordt ambtenaar. Maar terwijl hij een normaal bestaan probeert op te bouwen, blijft Vietnam knagen zoals een onbereikbaar lief. De Fransen zijn er buitengebonjourd en z’n oude kameraden van de Vietminh hebben de touwtjes van het noorden in handen. Maar in het zuiden worden de Fransen vervangen door de Amerikanen.
Hoeveel keer heeft hij in die jaren niet aan de Vietnamese ambassade gestaan? Klaar om heel zijn boel op te geven en terug voet aan zijn geliefde grond te zetten? Het is er nooit van gekomen. Omdat het in die tijd diplomatiek niet makkelijk was, maar ook omdat hij al een vrouw en twee kinderen had. Die neemt ge niet zomaar even mee naar de Mékong. Dat hij nog lang in vergeelde fotoalbums heeft zitten bladeren. En een van de drijvende krachten van het ondertussen ter ziele gegane Vietnamhuis in Antwerpen was.
Pas in 1996 keerde hij voor het eerst terug naar Vietnam, waar hij met alle mogelijke decoraties wordt beladen. Ontvangen als een koning. “Neen zenne, als een kameraad”, corrigeert hij. “Mijn oude maten waren juist hiel kwaad op mij. Ik was veel te lang weggebleven.”

woensdag 14 oktober 2009

Wijkwerking in Sint-Niklaas: intimiteit of intimidatie?


Als het regent in Molenbeek, druppelt het in Sint-Niklaas. Twintig gewapende agenten zetten eind september hun bivakmuts op en vielen sociale woonwijk Peter Benoitpark binnen. Een nieuw model om spanningen in “probleembuurten” tegen te gaan? Als oud-buurtwerker van de wijk zit ik toch met een paar vragen.

Voor mij ligt een foto van J. waarop hij een jaar of vijf is. Fier poserend op een of ander kerstfeestje in de wijk, met zijn broer en een paar andere gasten waakzaam op de achtergrond. De foto dateert van 2002. J. is ondertussen twaalf. Eind september was hij een van de tieners/kinderen uit de Sint-Niklase wijk Peter Benoitpark die onder bedreiging van een politiegeweer tegen de bruine, bakstenen muur van een van de appartementsblokken moest gaan staan. Drugsrazzia, met de groeten van een twintigtal gewapende agenten-met-bivakmuts die uit anonieme wagens waren komen springen. “Het was precies zoals in de film”, vertelde een bewoner. Volgens een getuige drukte een van de “Robocops” een pistool tegen J. zijn hoofd.

In Het Laatste Nieuws van 9 oktober zegt korpschef Jack Van Peer dat “de aanpak bij zo’n operatie wel anders is dan de inwoners van onze politie gewoon zijn. Er komt geen wagentje van het MO-team aangereden met een agent die een vriendelijk praatje slaat”. Van Peer vertelt dat het de politie “niet te doen was om de kleine garnalen, maar om de dealers.” Aan de actie zou ook “heel wat observatiewerk” vooraf zijn gegaan. Voor wie de uitleg van de plaatselijke Eerste Uniform leest, is er geen twijfel mogelijk: het Peter Benoitpark is het mekka van de Sint-Niklase drugshandel.

Bij mij deed dat nieuws de wenkbrauwen fronzen. Ik ben dan wel al een paar jaar weg uit de wijk, ik ken er nog steeds God en klein Pierke. Bovendien is het Peter Benoitpark een totaal ingesloten buurt: twee Oostblokachtige appartementen, twaalf huizen, een voetbalveldje en een stedelijk buurthuis. In de wijk, het wijkje – er wonen amper 250 mensen, zijn geen cafés waar dealers hun waar kunnen verkopen, noch theesalons, noch vzw’s. Niks. Dealen op straat is ongeveer het domste wat je kan doen, want geen hoogbouwwijk waar de sociale controle zo groot is. Wordt er dan niet geblowd? Toch wel. En wellicht zullen die blowers al eens wiet meebrengen voor elkaar uit Nederland. Maar georganiseerd dealen? En iets anders dan softdrugs? Een arm wil ik er niet op verwedden, maar het zou me sterk verbazen.

Opbrengst van de razzia: een paar gram wiet?
Hoe dan ook, mocht er sprake van dealen geweest zijn, dan is dat bij deze opgelost. “De drugsdealers zijn weg, het drugsgebruik kan hierdoor dalen, de kleine criminaliteit daalt meteen mee en dat komt de leefbaarheid van de wijk ten goede”, aldus de korpschef. Iedereen content. Toch is er iets vreemds aan de hand. De resultaten van de actie, zo geeft Van Peer wat schoorvoetend toe, liggen “beneden de verwachtingen”. Voor wie het Peter Benoitpark aanziet als een drugshol is dat zonder meer het understatement van de eeuw. De politie zou met moeite een paar gram wiet in beslag genomen hebben.

De vraag die mij bezighoudt is niet: is de politie nu zo’n bende prutsers dat ze een duizenden euro’s kostende operatie opzet voor een belachelijk kleine hoeveelheid softdrugs? Wel: gelooft de politie zelf dat het Peter Benoitpark Klein Amsterdam is, of heeft ze een reden om die wijk zo voor te stellen? Toen een van de aangehouden gasten twee dagen na de feiten zijn tijdelijk in beslag genomen gsm ging ophalen op het politiekantoor, informeerde hij nog eens naar de aanleiding van de raid. Antwoord: "we wilden tonen dat we ook nog bestaan".

Wie beweert dat het Peter Benoitpark een veredelde no-go zone is, is niet goed wijs. Of wil het ego van de tien daar rondhangende snotneuzen strelen. Waarmee ik de reële, al jaren bestaande spanningen niet onder de mat wil schuiven, maar die hebben toch andere en complexere oorzaken dan ‘dealende schoffies’. Misschien vatte het beeld van M. en zijn twee maten, alle drie een jaar of 14, de onzin van de raid nog het beste samen. Geld samen leggend voor een Red Bull in Frituur ’t Brugsken klonk het niet zonder trots: “nu zijn we helemaal het getto van Sint-Niklaas, jong.”

De mix tussen jonge families van buitenlandse afkomst en Vlaamse gepensioneerden is geen garantie voor eindeloze polonaises op buurtfeesten. Maar, zoals een verontwaardigde buurtbewoner getuigt in Het Laatste Nieuws, “zowel bewoners als buurtwerkers spannen zich al jaren in om er een degelijker buurt van te maken en dat lukt ook. De actie van de politie heeft jaren werk om een goede samenleving te bevorderen kapotgeslagen. Deze aanpak is onverantwoord.” Zonder een wakkere journalist was geen kat in Sint-Niklaas op de hoogte geweest van de inval in het Peter Benoitpark. Nochtans: als het een beleidskeuze is om, na jarenlang in buurtwerk te hebben geïnvesteerd, paramilitairen in te zetten in de wijken, dan mag het schepencollege dat wel eens meedelen aan de bevolking.